Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Fries lijkt in veel opzichten op het Nederlands. Er zijn echter ook veel verschillen. Een kind dat zowel Fries als Nederlands spreekt zou een element uit het Fries in het Nederlands kunnen gebruiken, terwijl dat in het Nederlands niet correct is (of andersom). Om te kunnen onderzoeken of een kind een taalstoornis heeft, is het van belang om te weten welke fouten veroorzaakt zouden kunnen worden door de tweede taal en welke waarschijnlijk veroorzaakt worden door de taalstoornis. Hieronder zullen daarom de belangrijkste verschillen tussen het Nederlands en het Fries worden besproken, waarna er aangegeven wordt tot wat voor soort fouten in het Nederlands deze zouden kunnen leiden. De verschillen zijn opgedeeld in domeinen (fonologie, morfologie en syntaxis) die allemaal kort besproken worden. In paragraaf 2 worden de specifieke kenmerken van het Fries uitgebreider besproken: hier zijn aanvullingen en voorbeelden bij onderstaande informatie te vinden.
Fonologie
De korte klinkers, lange klinkers en tweeklanken kunnen in het Fries vaak op meerdere manieren worden uitgesproken (kort of lang), terwijl dit in het Nederlands niet altijd het geval is. Hiernaast wordt bij woorden die eindigen op '-en' vaak de 'e' niet uitgesproken, terwijl de 'n' verlengd wordt. Dit geldt ook voor woorden die eindigen op ‘-em’, ‘-el’ en ‘-er’. Verder worden in het Fries, in tegenstelling tot in het Nederlands, klinkers voor een ‘f’, ‘w’, ‘s’, ‘z’, ‘r’, ‘l’ of ‘j’ soms door de neus uitgesproken. Het ligt dus in de lijn der verwachtingen dat kinderen met Fries als moedertaal problemen met deze aspecten van de uitspraak. Zo kunnen ze klinkers of tweeklanken gebruiken die in het Nederlands niet voorkomen, de 'e' weglaten bij een slot-'en' of klinkers door de neus uitspreken. Wanneer dit verschijnsel optreedt bij de Nederlandse uitspraak hoeft dit dus geen teken van TOS te zijn.
Morfologie
In het Fries treedt er soms breking of verkorting op bij meervoudsvorming: tweeklanken die eindigen op een schwa ('-en') veranderen dan van vorm. Bij breking wordt bijvoorbeeld stien (steen) stjienen (in plaats van stienen), en bij verkorting wordt in enkelvoud een lange klinker gebruikt terwijl bij meervoud een kort wordt gebruikt (hân - hannen). Een ander morfologisch verschil tussen het Fries en het Nederlands ligt in de uitgangen van verkleinwoorden: deze zijn in het Fries zijn enigszins anders dan in het Nederlands (‘-ke’, ‘-tsje’ maar ook het Nederlandse ‘-je’). Ook lidwoorden in het Fries zijn verschillend met de lidwoorden in het Nederlands. Het in het Nederlands betekent it in het Fries. De is in het Fries eveneens de, maar wordt niet altijd bij dezelfde woorden als in het Nederlands gebruikt (it boadskip in plaats van de boodschap). Tot slot is er nog een aantal verschillen in de werkwoordsvervoegingen. In het Nederlands eindigt het hele werkwoord (het infinitief) bijna altijd op ‘-en’. In het Fries zijn er daarentegen twee mogelijkheden: ‘-je’ (bijvoorbeeld wurkje, ‘werken’) of ‘-e’ (bijvoorbeeld pakke, ‘pakken’ of telle, ‘tellen’). De stam krijg je door ‘-e’ of ‘-je’ van het infinitief af te halen (wurk, pak, tel). De vervoeging van ‘-e’-werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd gaat bijna hetzelfde als in het Nederlands. Er zijn echter een aantal verschillen: zo krijgt het voltooid deelwoord krijgt geen ‘-ge’ (zoals het Nederlandse ‘gepakt’ en ‘geteld’). Ook wordt het woord do (‘jij’) wordt niet altijd uitgesproken of gaat soms samen met het werkwoord. Verder wordt voor de formele vorm (jo, ‘u’) de meervoudsvorm van het werkwoord gebruikt, in tegenstelling tot bij het Nederlands. Werkwoorden eindigend op –je zijn minder vergelijkbaar met het Nederlands: een voorbeeld van de vervoeging hiervan is te zien in paragraaf 2. Verder kent het Fries ook onregelmatige werkwoorden. Een aantal werkwoorden zijn in het Fries regelmatig en in het Nederlands niet (bijvoorbeeld stige, ‘stijgen’) of andersom (bijvoorbeeld minge, ‘mengen’). Samenvattend ligt het dus in de lijn der verwachtingen dat bovenstaande aspecten transferfouten opleveren wanneer een kind met de moedertaal Fries Nederlands leert. Er kan breking of verkorting plaatsvinden, verkleinwoorden kunnen onjuiste uitgangen krijgen, lidwoorden kunnen incorrect gebruikt worden of kinderen kunnen fouten maken in de werkwoordsvervoeging (bij zowel sterke als zwakke werkwoorden). Dit hoeven dus niet altijd aanwijzingen voor TOS te zijn. Voor details over de Friese werkwoordsvervoeging kan paragraaf 2 geraadpleegd worden.
Syntaxis De woordvolgorde in het Fries komt grotendeels overeen met de woordvolgorde in het Nederlands. In het Fries staat echter in bijzinnen de persoonsvorm altijd helemaal achteraan de zin, terwijl deze in het Nederlands (meestal) vooraan de groep van werkwoorden staat. Verder wordt er, wanneer er naast een voltooid deelwoord en een persoonsvorm nóg een werkwoord in de zin staat, nog steeds het voltooid deelwoord gebruikt. In het Nederlands is dit niet het geval ('ik heb hem horen zingen' tegenover 'ik haw him sjongen heard'). Tot slot is het in het Fries, in tegenstelling tot in het Nederlands, mogelijk om een woord achter een voorzetselgroep helemaal vooraan de zin te zetten. In het Nederlands kan dit niet ('ik houd niet van praten' tegenover 'praten hâld ik net fan). Bovenstaande aspecten zouden dus kunnen leiden tot bijvoorbeeld fouten in de volgorde van werkwoorden of de plaatsing van werkwoorden bij voorzetselgroepen. Er kunnen transferfouten worden gemaakt in de volgorde van werkwoorden binnen de bijzin, in het gebruik van het voltooid deelwoord of woordplaatsing bij voorzetselgroepen. Dit hoeven wederom geen tekenen van TOS te zijn.
Pragmatiek Binnen de pragmatiek zijn er weinig transferfouten te verwachten bij Friese kinderen die Nederlands leren. Een klein probleem kan zijn dat het kind niet zoveel Fries spreekt als dat het kan, omdat Nederlands vrijwel altijd de dominante taal is.
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Naast bovengenoemde transferfouten kunnen er door kinderen met TOS die het Fries als moedertaal hebben, andere problemen optreden bij de taalontwikkeling in het Nederlands. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen transferfouten en fouten die te wijten zijn aan een eventuele TOS. Hoewel er nog weinig bekend is over de taalontwikkeling in het Fries, kunnen er aan de tolk of aan de ouders van het kind vragen worden gesteld waardoor een eventuele TOS te achterhalen valt. Hieronder zijn een aantal vragen op een rij gezet. Wanneer deze vragen bevestigend beantwoord kunnen worden, zou er sprake kunnen zijn van een TOS.
- Laat het kind vaak lidwoorden weg in het Nederlands of in het Fries?
- Laat het kind vaak het onderwerp in een zin weg (jij/do uitgezonderd)?
- Gebruikt het kind vaak infinitieve werkwoorden terwijl er een vervoeging nodig is?
- Heeft het kind zwakke communicatieve vaardigheden (weinig oogcontact, korte uitingen etc.)?
In paragraaf 4 is informatie over en een verwijzing naar de F-TSARP profielkaart te vinden. Dit kan eveneens een nuttig hulpmiddel zijn om een TOS te diagnosticeren.
1. Algemene informatie over het Fries
Het Fries is een West-Germaanse taal, net als het Nederlands, het Engels en het Duits. Het Fries lijkt meer op het Engels, terwijl het Nederlands meer op het Duits lijkt. Het Nederlandse woord kaas lijkt bijvoorbeeld erg op het Duitse Käse, terwijl de Friese vertaling tsiis meer lijkt op het Engelse cheese (zie ook: filmpje op youtube). Het Fries wordt gesproken in de Nederlandse provincie Friesland (Fryslân in het Fries). In Friesland wonen ongeveer 650.000 mensen. Ongeveer 94% daarvan kan Fries verstaan en ruim de helft kan het ook spreken. Ook in delen van Duitsland worden varianten van het Fries gesproken: Noord-Fries (8 à 10.000 sprekers) en Oost-Fries (1000 à 1500 sprekers). In het buitenland wordt Fries daarom vaak West-Fries genoemd. In Nederland wordt met West-Fries echter het dialect bedoeld dat in de kop van Noord-Holland gesproken wordt. Wanneer er in dit artikel over het Fries wordt gesproken, wordt het Fries dat men in de Nederlandse provincie Friesland spreekt bedoeld. Binnen Friesland worden verschillende dialecten van het Fries gesproken. De belangrijkste zijn: het Kleifries, het Woudfries en het Zuidhoeks. Het Standaardfries is gebaseerd op het Kleifries. Bovendien wordt niet overal in Friesland Fries gesproken. In veel steden wordt bijvoorbeeld Stadfries gesproken, (een mengeling tussen Nederlands en Fries).
Het Fries is door de Nederlandse overheid erkend als tweede rijkstaal. Dit houdt bijvoorbeeld in dat je in de rechtbank Fries kunt gebruiken en dat het mogelijk is om eindexamen te doen in het Fries. Scholen in Friesland zijn verplicht om het vak Fries aan te bieden (maar in de praktijk is dat vaak niet meer dan een uur per week) en daarnaast mogen ze het Fries ook gebruiken als voertaal in de les. Ondanks dat het Fries een erkende taal is, is het Nederlands in Friesland de dominante taal. Iedereen die Fries spreekt, spreekt ook Nederlands en je kunt overal met Nederlands terecht, terwijl dat voor het Fries niet het geval is. Door de dominante positie van het Nederlands en door het gebrek aan onderwijs in het Fries is er veel invloed van de Nederlandse taal op de Friese gesproken taal. Het Nederlands beïnvloedt voornamelijk de woordkeuze (broekspijpen in plaats van broeksboksen), maar kan ook invloed hebben op uitspraak van klanken (bestuer in plaats van bestjoer), uitgangen van woorden (bekertsje in plaats van bekerke) of woordvolgorde (...dat er it dien hat in plaats van ...dat er it hat dien, vergelijkbaar met het Nederlandse “...dat hij het heeft gedaan”).
De invloed van het Nederlands op de Friese gesproken taal zorgt er ook voor dat het verschil tussen gesproken en geschreven taal steeds groter wordt. De geschreven vorm van het Fries is namelijk wel voornamelijk gebaseerd op het Standaardfries. Hierdoor kan het voorkomen dat mensen een Fries woord niet herkennen, aangezien ze in hun spreektaal de Nederlandse vorm van het woord gebruiken. Bovendien wordt het geschreven Fries relatief weinig gebruikt. Niet meer dan 5% van de artikelen in de provinciale dagbladen is bijvoorbeeld in het Fries.
Het Friese schriftsysteem maakt gebruik van het Latijnse alfabet. De letters c, q en x worden echter nooit gebruikt. Er zijn ook een aantal extra letters, of eigenlijk bestaande klinkertekens met een dakje of streepje erop: ú (klinkt als de [y] in ‘minuut’ of als de lange [y:] in ‘centrifuge’), â en ô (klinken als de lange [ɔ:] in ‘controle’), ê(klinkt als de lange [ɛ:] in ‘blèren’) en û (klinkt als de korte [u] in 'doek' of de lange [u:] in ‘rouge’). Als de klinkers zonder tekentje geschreven worden, klinken ze vergelijkbaar met het Nederlands. Als een lettergreep eindigt op een medeklinker wordt de korte [i] (zoals in ‘niet’) geschreven als y (dyk) en de lange [i:], zoals in ‘prestige’, als ii (wiid).
2. Specifieke informatie over het Fries
In deze paragraaf worden de onderwerpen uit paragraaf 0 uitgebreider besproken. In het onderdeel fonologie worden de klanken besproken, in het onderdeel morfologie het meervoud van zelfstandige naamwoorden, verkleinwoorden, lidwoorden en werkwoorden en in het onderdeel syntaxis de woordvolgorde. Tot slot wordt er ingegaan op pragmatiek.
Fonologie
-Korte klinkers: in het Fries kan de korte [ɔ] op twee manieren worden uitgesproken. De o’s in dom en in hok klinken niet hetzelfde. In het Nederlands was dat vroeger ook zo, maar dat verschil is nu niet meer te horen. -Lange klinkers: de Nederlandse klinkers [i], [u] en [y] zijn eigenlijk korte klinkers. Het Fries kent van deze klinkers ook een lange variant. In het Nederlands komen die enkel in leenwoorden voor (zoals in ‘prestige’, ‘rouge’ en ‘centrifuge’). Ook de lange [ɛ:] (zoals in ‘blèren’) en de lange [ɔ:] (zoals in ‘controle’) komen in het Nederlands nauwelijks voor. -Tweeklanken: tweeklanken zijn klanken die uit twee klinkers bestaan. Het Fries kent een groep tweeklanken die bestaan uit een klinker ([i], [y], [u], [e], [ø] of [o]) plus een stomme ‘e’ cq. de schwa [ǝ] (zoals de ‘e’ in ‘de’). Deze klanken bestaan vrijwel niet in het Nederlands, behalve in woorden die eindigen op een ‘r’ (zoals ‘bier’, waar je vaak een [i] + [ǝ] hoort, en ‘buur’, waarbij je soms [y] + [ǝ] hoort). Ook de klanken [oɪ] (boike, ‘jongetje’) en [aɪ] (laitsje, ‘lachen’) komen in het Nederlands bijna niet voor. Het Nederlandse ‘eeuw’ komt in het Fries weer niet voor, in het Fries wordt het ieu ([i] + [ǝ]). -De slot-(e)n: als in het (geschreven) Nederlands een woord op ‘-en’ eindigt, wordt de ‘n’ meestal niet uitgesproken (‘lope’ in plaats van ‘lopen’). In het Fries wordt de ‘e’ juist weggelaten en de ‘n’ wordt iets verlengd. Hetzelfde gebeurt als een woord eindigt op ‘-em’, ‘-el’ en ‘-er’ (hammer wordt bijvoorbeeld uitgesproken als ‘hamr’). Dit proces is niet typisch Fries, het gebeurt in heel Noordoost-Nederland. -Neusklanken: het Nederlands kent enkel nasale medeklinkers (’n’, ‘m’ en ‘ng’). Bij deze klanken stroomt de lucht door de neus in plaats van door de mond (als je je neus dichtknijpt kun je de klanken niet maken). Het Fries kent ook nasale klanken: een klinker voor een ‘f’, ‘w’, ‘s’, ‘z’, ‘r’, ‘l’ of ‘j’, wordt soms door de neus uitgesproken (in schrijftaal wordt dit geschreven als klinker + ‘n’ + medeklinker, maar in gesproken taal wordt de ‘n’ niet uitgesproken). Het kan voorkomen binnen woorden (aanst, dat ‘straks’ betekent) of tussen woorden (myn jas, dat ‘mijn jas’ betekent). Ook nasale klanken worden niet enkel in het Fries gebruikt. Er zijn een aantal dialecten van het Nederlands waar ze ook gebruikt worden.
Morfologie
-Meervoud van zelfstandige naamwoorden: In het Fries wordt het meervoud gevormd door, net als in het Nederlands, ‘s’ of ‘-en’ achter het enkelvoud te zetten. Het meervoud van leffert (‘lafaard’) is bijvoorbeeld lefferts (‘lafaards’) en het meervoud van tún (‘tuin’) is tunen (‘tuinen’). Wanneer welke vorm gebruikt wordt is vergelijkbaar met het Nederlands. Wat wel anders is, is dat in het meervoud soms breking of verkorting optreedt. De tweeklanken die eindigen op een schwa (zie ‘Fonologie’) veranderen in het meervoud soms van vorm. Neem stien - stiennen (‘steen - stenen’): de [i] (plus [ǝ]) verandert in [ji]: [stiǝn] - [stjinǝn]. Dit proces wordt breking genoemd Ook kan verkorting plaatsvinden. Dit betekent dat in het enkelvoud een lange klinker gebruikt wordt, maar in het meervoud een korte (hân – hannen, ‘hand – handen’). -Verkleinwoorden: Verkleinwoorden worden gevormd door ‘-ke’, ‘-tsje’ of ‘-je’ achter het zelfstandig naamwoord te zetten:
- Zelfstandige naamwoorden die eindigen op een klinker of op ‘m’, ‘p’, ‘be’, ‘f’, ‘ve’, ‘s’, ‘ze’, ‘r’ of ‘w’ krijgen ‘-ke’ (bijvoorbeeld stof – stofke).
- Zelfstandige naamwoorden die eindigen op ‘l’, ‘n’, ‘t’ of ‘d’ krijgen ‘-tsje’ (bijvoorbeeld pael – paeltsje).
- Woorden die eindigen op ‘k’, ‘ng’, ‘ch’ of ‘ge’ krijgen ‘-je’. Ook bij verkleinwoorden kan breking of verkorting plaatsvinden. -Lidwoorden: sommige zelfstandig naamwoorden krijgen het lidwoord de, andere krijgen it, vergelijkbaar met het Nederlandse ‘de’ en ‘het’. Er zijn een aantal woorden waar in het Nederlands ‘de’ wordt gebruikt en in het Fries it (zoals it boadskip, ‘de boodschap’) of andersom (zoals de hikke, ‘het hek’). -Werkwoordvervoegingen: in het Nederlands eindigt het hele werkwoord (het infinitief) bijna altijd op ‘-en’. In het Fries zijn er daarentegen twee mogelijkheden: ‘-je’ (bijvoorbeeld wurkje, ‘werken’) of ‘-e’ (bijvoorbeeld pakke, ‘pakken’ of telle, ‘tellen’). De stam krijg je door ‘-e’ of ‘-je’ van het infinitief af te halen (wurk, pak, tel). De vervoeging van ‘-e’-werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd gaat bijna hetzelfde als in het Nederlands. Hieronder zie je een voorbeeld van de werkwoorden pakke en telle:
Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
ik
stam
pak
tel
stam + -te of de
pakte
telde
do (=’jij’)
stam + -st
pakst
telst
stam + -test of dest
paktest
teldest
hy/sy/it
stam + -t
pakt
telt
stam + -te of de
pakte
telde
meervoud en jo (= ‘u’)
stam + -e (infinitief)
pakke
telle
stam + -ten of den
pakten
telden
Voltooid deelwoord
stam + -t of –d
pakt
teld
Er zijn een aantal verschillen:
- In de tweede persoon enkelvoud (do/’jij’) wordt in de tegenwoordige tijd stam + –st gebruikt (in plaats van het Nederlandse ‘-t’) en in de verleden tijd stam + -test of stam + -dest (in plaats van het Nederlandse ‘-te’ of ‘-de’).
- Het voltooid deelwoord krijgt geen ‘-ge’ (zoals het Nederlandse ‘gepakt’ en ‘geteld’). Of in de verleden tijd en in het voltooid deelwoord ‘t’ of ‘d’ gebruikt moet worden, valt overigens op dezelfde manier te bepalen als in het Nederlands.
- Het woord do (‘jij’) wordt niet altijd uitgesproken of gaat soms samen met het werkwoord. Dit gebeurt meestal in zinnen waar het werkwoord voor de persoonsvorm komt, bijvoorbeeld vraagzinnen (bijvoorbeeld in de zin heinst do de bal?, ‘vang jij de bal?’, wordt heinsto, heinste of heinst gebruikt). In gewone zinnen kan do ook weggelaten worden (soest ek mei in plaats van do soest ek mei, ‘jij zou ook mee(gaan)’).
- Voor de formele vorm (jo, ‘u’) wordt de meervoudsvorm van het werkwoord gebruikt wordt, terwijl in het Nederlands de tweede persoon enkelvoud gebruikt wordt (jo pakke, ‘u pakt’). Werkwoorden eindigend op –je zijn minder vergelijkbaar met het Nederlands. Hieronder staat weer een voorbeeld, ditmaal met de werkwoorden wurkje (‘werken’) en wenje (wonen):
Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
ik
stam + -je (infinitief)
wurkje
wenje
stam + e
wurke
wenne
do (=’jij’)
stam + -est
wurkest
wennest
stam + -est
wurkest
wennest
hy/sy/it
stam + -et
wurket
wennet
stam + -e
wurke
wenne
meervoud en jo (= ‘u’)
stam + -je (infinitief)
wurkje
wenje
stam + -en
wurken
wennen
Voltooid deelwoord
stam + -e
wurke
wenne
Natuurlijk kent het Fries ook onregelmatige werkwoorden. Vaak worden die gevormd door klinkerwisseling (zoals in het Nederlandse ‘ik loop’, ‘ik liep’). Een aantal werkwoorden zijn in het Fries regelmatig en in het Nederlands niet (bijvoorbeeld stige, ‘stijgen’) of andersom (bijvoorbeeld minge, ‘mengen’).
Syntaxis
-Woordvolgorde De woordvolgorde in het Fries komt voor het grootste deel overeen met de woordvolgorde in het Nederlands. Neem de zinnen Martsje kaepet dat boek en ‘Martsje koopt dat boek’. In beide zinnen staat het werkwoord op de tweede plaats. Dit is de persoonsvorm. Aan het begin van de zin is maar plaats voor één werkwoord, dus eventuele extra werkwoorden krijgen, net als in het Nederlands, een plaats achterin de zin: hy hat har rinnensjoen, ‘hij heeft haar zienlopen’. Het verschil is dat in het Fries de werkwoorden achteraan (rinnen sjoen) precies andersom staan dan die in het Nederlands (‘zien lopen’). In bijzinnen staan alle werkwoorden, dus ook de persoonsvorm, achteraan de zin. Ook dit geldt voor zowel het Fries als het Nederlands. Het verschil is dat in het Fries de persoonsvorm altijd helemaal achteraan staat, terwijl het in het Nederlands (meestal) vooraan de groep van werkwoorden staat. Vergelijk bijvoorbeeld: ... dat ik him komme litte wolle soe met ‘... dat ik hem zou willen laten komen’. De werkwoorden ‘hebben’ en ‘zijn’ gaan samen met een voltooid deelwoord (‘ik heb hem gehoord’). In het Fries gebeurt dit op dezelfde manier (ik haw him heard). Als er nóg een werkwoord in de zin staat, wordt in het Nederlands niet het voltooid deelwoord, maar het infinitief gebruikt (‘ik heb hem horen zingen’). In het Fries wordt in dat geval meestal wel nog steeds het voltooid deelwoord gebruikt (ik haw him sjongen heard). -Voorzetsels: een voorzetsel met nog één of meerdere woorden erachter wordt een ‘voorzetselgroep’ genoemd. Voorzetselgroepen komen zowel in het Nederlands als in het Fries voor. Neem bijvoorbeeld de zinnen ik hâld net fan praten en ‘ik houd niet van praten’. De voorzetselgroepen zijn fan praten en ‘van praten’. In het Fries is het mogelijk om het woord achter het voorzetsel (praten) helmaal vooraan de zin te zetten. Het voorzetsel (fan) blijft dan alleen achter achteraan de zin: praten hâld ik net fan. Hierdoor krijgt het woord praten meer nadruk. In het Nederlands is deze constructie niet mogelijk.
Pragmatiek
Het feit dat het Nederlands de dominante taal is, zorgt ervoor dat als iemand een onbekende aanspreekt, dat dit meestal in het Nederlands gebeurt. Als in een groep blijkt dat één persoon niet goed Fries verstaat, gaat de hele groep vaak over op het Nederlands. Als iedereen wel goed Fries verstaat, worden er soms ook twee talen door elkaar gesproken: de één spreekt Fries, de ander Nederlands.
3. Verwervingsvolgorde van bovengenoemde domeinen
Er is nog relatief weinig onderzoek gedaan naar de taalontwikkeling van Friese kinderen. Jelske Dijkstra heeft echter in 2008 de F-TARSP ontwikkeld. De F-TARSP is een Friese bewerking van de Nederlandse TARSP (Taal Analyse Remediëring en Screening Procedure (Schlichting, 2005)). De F-TARSP is een taalinstrument dat gebruikt kan worden om het grammaticale ontwikkelingsniveau van een Friestalig kind te bepalen. Het is bedoeld voor kinderen tot ongeveer 4 jaar en drie maanden. Om het instrument te kunnen ontwikkelen, zijn spontane taaluitingen van 100 Friestalige kinderen bestudeerd. Het gaat om kinderen tussen 1 jaar en negen maanden en 4 jaar en twee maanden oud bij wie thuis overwegend Fries wordt gesproken. Van alle kinderen, die voor zover bekend een normale taalontwikkeling hebben, zijn 200 Friese taaluitingen bestudeerd. In het onderzoek is bekeken in welke volgorde de kinderen bepaalde grammaticale constructies verwerven. Ook is er bekeken vanaf welke leeftijd een bepaalde constructie gemiddeld gebruikt wordt. Dit onderzoek heeft dus bijgedragen aan meer duidelijkheid over hoe de normale taalontwikkeling van Friessprekende kinderen verloopt. Uit het onderzoek blijkt dat er veel overeenkomsten zijn tussen het Fries en het Nederlands. Toch zijn er aan aantal verschillen (voorbeelden komen uit onderzoek van Dijkstra, 2008):
-Morfologische verschillen:
- In het onderdeel ‘morfologie’ hierboven werd al besproken dat de vorm do (‘jij’) weggelaten kan worden. Uit dit onderzoek blijkt dat dit door de kinderen ook regelmatig gedaan wordt, waardoor deze vorm veel minder gebruikt wordt dan in het Nederlands.
- Ook de vorm dy (als in ik bin sa wer by dy, ‘ik ben zo weer bij je’) werd door de kinderen erg weinig gebruikt. In plaats daarvan werden de vormen my (‘mij/me’) en him (‘hem’) en soms ús (‘ons’) of har (‘haar’) gebruikt.
- De vorm sy of se kan zowel naar het enkelvoud (se kin noch net lêze, ‘ze kan nog niet lezen’) als naar het meervoud verwijzen (bijvoorbeeld se skrikke noait wekker, ‘ze schrikken nooit wakker’). De meervoudsvorm wordt, in vergelijking met het Nederlands, pas relatief laat gebruikt.
- Een constructie die niet in het Nederlands voorkomt en wel in het Fries is de werkwoordsvervoeging van de tweede persoon enkelvoud (stam+(e)st) die ook hierboven is besproken in het onderdeel ‘fonologie’. -Syntactische verschillen:
- De combinatie ‘bijvoeglijk woord’ + ‘zelfstandig naamwoord’ (bijvoorbeeld allegear skûm, ‘allemaal schuim’) wordt door kinderen in het Fries pas later gebruikt dan in het Nederlands.
- Ook de combinatie dit of dat + ‘zelfstandig naamwoord’ (bijvoorbeeld dit boekje, ‘dit boekje’) wordt door Friessprekende kinderen relatief laat voor het eerst gebruikt.
- Het voltooid deelwoord wordt relatief laat gebruikt. Wat wel hetzelfde is als in het Nederlands, is dat het voltooid deelwoord (bijvoorbeeld ikke goed dien, ‘ik goed gedaan’) een fase eerder verschijnt dan de combinatie hulpwerkwoord + voltooid deelwoord (zoals mem hat him al pakt, ‘mama heeft hem al gepakt’).
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Fries
De F-TARSP, die hierboven is besproken, geeft niet alleen een inzicht in de taalontwikkeling van normaal ontwikkelende Friese kinderen, hij kan ook gebruikt worden om kinderen met een (eventuele) taalontwikkelingsstoornis te testen. Naar aanleiding van het onderzoek van Dijkstra (2008) zijn de verschillende grammaticale constructies ingedeeld in zeven fases. Er is een profielkaart ontwikkeld waarop de grammaticale constructies per fase vermeld staan (zie: profielkaart van de Fryske Akademy). Als er een vermoeden is dat een bepaald kind een taalontwikkelingsstoornis heeft, kunnen taaluitingen van dit kind vergeleken worden met de informatie op de profielkaart. Voor alle constructies kan geteld worden hoe vaak het kind ze gebruikt. Zo kan vastgesteld worden in welke grammaticale fase het kind zich bevindt. Vervolgens kan dit vergeleken worden met normaal ontwikkelende kinderen van dezelfde leeftijd (door middel van een indicatietabel, zie bijlage 4 in Dijkstra, 2008) en op die manier kan bepaald worden of er inderdaad sprake is van een vertraagde taalontwikkeling. Ook kan met de profielkaart gekeken worden of er gaten zitten in de ontwikkeling van het kind. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat het kind constructies gebruikt uit fase 4 en 5, maar nog niet alle constructies uit fase 3. De verkregen informatie kan gebruikt worden om een gericht behandelplan op te stellen voor het kind. Eventueel kan de test later nogmaals afgenomen worden, om te kijken of er inmiddels al verbetering is opgetreden.
De F-TARSP is minder geschikt voor kinderen die nog in de éénwoordfase zitten. In dat geval kan beter de Lexiconlijst Fries-Nederlands gebruikt worden (ontwikkeld door Lutje Spelberg & Schlichting). De Lexiconlijst Fries-Nederlands is gebaseerd op de Lexilijst Nederlands (Schlichting & Lutje Spelberg, 2002). Op de lijst staan verschillende woorden (en korte zinnetjes) verdeeld over 15 categoriën (zoals kleding, eten en voertuigen). Op de Fries-Nederlandse Lexiconlijst staan zowel Nederlandse als Friese woorden vermeld. Het is de bedoeling dat ouders aankruisen welke woorden hun kind gebruikt. Aan de hand van deze informatie kan bepaald worden of het kind een vertraagde taalontwikkeling heeft in vergelijking met normaal ontwikkelende kinderen. (zie voor meer informatie: lexilijst van Studio Taalwetenschap).
Behalve dat de F-TARSP en de Lexiconlijst gebruikt kunnen worden om individuele kinderen te testen en te behandelen, zouden ze ook gebruikt kunnen worden om wetenschappelijk onderzoek te doen naar taalstoornissen in het Fries. Dat zou interessant zijn, want tot nu toe is daar nog nauwelijks iets over bekend. Het zou interessant zijn om te kijken op welke onderdelen van het Fries kinderen met een taalontwikkelingsstoornis problemen hebben en ook om te kijken wat de overeenkomsten en verschillen met het Nederlands zijn. Hopelijk kan deze Wiki in de toekomst op dit punt verder aangevuld worden.
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
In dit artikel is besproken op welke punten het Fries en de Friese taalontwikkeling verschilt van het Nederlands. Ook is er besproken tot wat voor soort taalfouten dat zou kunnen leiden in het Nederlands van Friese kinderen. Verder is er ingegaan op twee taalinstrumenten: de F-TARSP en de Lexiconlijst Fries-Nederlands. Deze testen kunnen gebruikt worden om te kijken of Friessprekende kinderen een vertraagde of verstoorde taalontwikkeling hebben, zodat ze gericht behandeld kunnen worden. Ook zouden de taalinstrumenten gebruikt kunnen worden om wetenschappelijk onderzoek te doen naar taalstoornissen bij Friese kinderen. De informatie op deze pagina komt grotendeels uit de boeken Grammatica Fries (2006) en Basisgrammatica Fries (2006), beiden geschreven door Jan Popkema. Voor meer informatie is het aan te raden deze boeken te raadplegen.
Verder is in dit artikel gebruikt gemaakt van de volgende boeken:
- Dijkstra, J.E. (2008), F-TARSP. Friese Taal Analyse Remediëring en Screening Procedure. Een Friese bewerking van de TARSP. Leeuwarden: Fryske Akademy - Afûk
- Popkema, J. (2006). Grammatica Fries. De regels van het Fries. Utrecht: Prisma woordenboeken en Taaluitgaven.
- Popkema, J. (2006). Basisgrammatica Fries. Begrijpelijk voor iedereen. Utrecht: Prisma woordenboeken en Taaluitgaven.
- Spoelstra, J., Post, J. & Hut, A. (2007). Prisma woordenboek Fries: Fries-Nederlands, Nederlands-Fries. Utrecht: Het Spectrum.
Naast deze literatuur is er ook veel informatie te vinden over het Fries op het internet:
Wetenschappelijk onderzoek:
- De Fryske Akademy, een instituut dat wetenschappelijk onderzoek doet op het gebied van de Friese taal, cultuur, geschiedenis en samenleving.
- Taalsintrum Frysk: helpt scholen met het ontwikkelen, implementeren en uitvoeren van meertalig taalbeleid met een gelijkwaardige positie van de Friese taal.
Table of Contents
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Fries lijkt in veel opzichten op het Nederlands. Er zijn echter ook veel verschillen. Een kind dat zowel Fries als Nederlands spreekt zou een element uit het Fries in het Nederlands kunnen gebruiken, terwijl dat in het Nederlands niet correct is (of andersom). Om te kunnen onderzoeken of een kind een taalstoornis heeft, is het van belang om te weten welke fouten veroorzaakt zouden kunnen worden door de tweede taal en welke waarschijnlijk veroorzaakt worden door de taalstoornis. Hieronder zullen daarom de belangrijkste verschillen tussen het Nederlands en het Fries worden besproken, waarna er aangegeven wordt tot wat voor soort fouten in het Nederlands deze zouden kunnen leiden. De verschillen zijn opgedeeld in domeinen (fonologie, morfologie en syntaxis) die allemaal kort besproken worden. In paragraaf 2 worden de specifieke kenmerken van het Fries uitgebreider besproken: hier zijn aanvullingen en voorbeelden bij onderstaande informatie te vinden.
Fonologie
De korte klinkers, lange klinkers en tweeklanken kunnen in het Fries vaak op meerdere manieren worden uitgesproken (kort of lang), terwijl dit in het Nederlands niet altijd het geval is. Hiernaast wordt bij woorden die eindigen op '-en' vaak de 'e' niet uitgesproken, terwijl de 'n' verlengd wordt. Dit geldt ook voor woorden die eindigen op ‘-em’, ‘-el’ en ‘-er’. Verder worden in het Fries, in tegenstelling tot in het Nederlands, klinkers voor een ‘f’, ‘w’, ‘s’, ‘z’, ‘r’, ‘l’ of ‘j’ soms door de neus uitgesproken. Het ligt dus in de lijn der verwachtingen dat kinderen met Fries als moedertaal problemen met deze aspecten van de uitspraak. Zo kunnen ze klinkers of tweeklanken gebruiken die in het Nederlands niet voorkomen, de 'e' weglaten bij een slot-'en' of klinkers door de neus uitspreken. Wanneer dit verschijnsel optreedt bij de Nederlandse uitspraak hoeft dit dus geen teken van TOS te zijn.
Morfologie
In het Fries treedt er soms breking of verkorting op bij meervoudsvorming: tweeklanken die eindigen op een schwa ('-en') veranderen dan van vorm. Bij breking wordt bijvoorbeeld stien (steen) stjienen (in plaats van stienen), en bij verkorting wordt in enkelvoud een lange klinker gebruikt terwijl bij meervoud een kort wordt gebruikt (hân - hannen). Een ander morfologisch verschil tussen het Fries en het Nederlands ligt in de uitgangen van verkleinwoorden: deze zijn in het Fries zijn enigszins anders dan in het Nederlands (‘-ke’, ‘-tsje’ maar ook het Nederlandse ‘-je’). Ook lidwoorden in het Fries zijn verschillend met de lidwoorden in het Nederlands. Het in het Nederlands betekent it in het Fries. De is in het Fries eveneens de, maar wordt niet altijd bij dezelfde woorden als in het Nederlands gebruikt (it boadskip in plaats van de boodschap). Tot slot is er nog een aantal verschillen in de werkwoordsvervoegingen. In het Nederlands eindigt het hele werkwoord (het infinitief) bijna altijd op ‘-en’. In het Fries zijn er daarentegen twee mogelijkheden: ‘-je’ (bijvoorbeeld wurkje, ‘werken’) of ‘-e’ (bijvoorbeeld pakke, ‘pakken’ of telle, ‘tellen’). De stam krijg je door ‘-e’ of ‘-je’ van het infinitief af te halen (wurk, pak, tel). De vervoeging van ‘-e’-werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd gaat bijna hetzelfde als in het Nederlands. Er zijn echter een aantal verschillen: zo krijgt het voltooid deelwoord krijgt geen ‘-ge’ (zoals het Nederlandse ‘gepakt’ en ‘geteld’). Ook wordt het woord do (‘jij’) wordt niet altijd uitgesproken of gaat soms samen met het werkwoord. Verder wordt voor de formele vorm (jo, ‘u’) de meervoudsvorm van het werkwoord gebruikt, in tegenstelling tot bij het Nederlands. Werkwoorden eindigend op –je zijn minder vergelijkbaar met het Nederlands: een voorbeeld van de vervoeging hiervan is te zien in paragraaf 2. Verder kent het Fries ook onregelmatige werkwoorden. Een aantal werkwoorden zijn in het Fries regelmatig en in het Nederlands niet (bijvoorbeeld stige, ‘stijgen’) of andersom (bijvoorbeeld minge, ‘mengen’).
Samenvattend ligt het dus in de lijn der verwachtingen dat bovenstaande aspecten transferfouten opleveren wanneer een kind met de moedertaal Fries Nederlands leert. Er kan breking of verkorting plaatsvinden, verkleinwoorden kunnen onjuiste uitgangen krijgen, lidwoorden kunnen incorrect gebruikt worden of kinderen kunnen fouten maken in de werkwoordsvervoeging (bij zowel sterke als zwakke werkwoorden). Dit hoeven dus niet altijd aanwijzingen voor TOS te zijn. Voor details over de Friese werkwoordsvervoeging kan paragraaf 2 geraadpleegd worden.
Syntaxis
De woordvolgorde in het Fries komt grotendeels overeen met de woordvolgorde in het Nederlands. In het Fries staat echter in bijzinnen de persoonsvorm altijd helemaal achteraan de zin, terwijl deze in het Nederlands (meestal) vooraan de groep van werkwoorden staat. Verder wordt er, wanneer er naast een voltooid deelwoord en een persoonsvorm nóg een werkwoord in de zin staat, nog steeds het voltooid deelwoord gebruikt. In het Nederlands is dit niet het geval ('ik heb hem horen zingen' tegenover 'ik haw him sjongen heard'). Tot slot is het in het Fries, in tegenstelling tot in het Nederlands, mogelijk om een woord achter een voorzetselgroep helemaal vooraan de zin te zetten. In het Nederlands kan dit niet ('ik houd niet van praten' tegenover 'praten hâld ik net fan).
Bovenstaande aspecten zouden dus kunnen leiden tot bijvoorbeeld fouten in de volgorde van werkwoorden of de plaatsing van werkwoorden bij voorzetselgroepen. Er kunnen transferfouten worden gemaakt in de volgorde van werkwoorden binnen de bijzin, in het gebruik van het voltooid deelwoord of woordplaatsing bij voorzetselgroepen. Dit hoeven wederom geen tekenen van TOS te zijn.
Pragmatiek
Binnen de pragmatiek zijn er weinig transferfouten te verwachten bij Friese kinderen die Nederlands leren. Een klein probleem kan zijn dat het kind niet zoveel Fries spreekt als dat het kan, omdat Nederlands vrijwel altijd de dominante taal is.
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Naast bovengenoemde transferfouten kunnen er door kinderen met TOS die het Fries als moedertaal hebben, andere problemen optreden bij de taalontwikkeling in het Nederlands. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen transferfouten en fouten die te wijten zijn aan een eventuele TOS. Hoewel er nog weinig bekend is over de taalontwikkeling in het Fries, kunnen er aan de tolk of aan de ouders van het kind vragen worden gesteld waardoor een eventuele TOS te achterhalen valt. Hieronder zijn een aantal vragen op een rij gezet. Wanneer deze vragen bevestigend beantwoord kunnen worden, zou er sprake kunnen zijn van een TOS.
- Laat het kind vaak lidwoorden weg in het Nederlands of in het Fries?
- Laat het kind vaak het onderwerp in een zin weg (jij/do uitgezonderd)?
- Gebruikt het kind vaak infinitieve werkwoorden terwijl er een vervoeging nodig is?
- Heeft het kind zwakke communicatieve vaardigheden (weinig oogcontact, korte uitingen etc.)?
In paragraaf 4 is informatie over en een verwijzing naar de F-TSARP profielkaart te vinden. Dit kan eveneens een nuttig hulpmiddel zijn om een TOS te diagnosticeren.
1. Algemene informatie over het Fries
Het Fries is een West-Germaanse taal, net als het Nederlands, het Engels en het Duits. Het Fries lijkt meer op het Engels, terwijl het Nederlands meer op het Duits lijkt. Het Nederlandse woord kaas lijkt bijvoorbeeld erg op het Duitse Käse, terwijl de Friese vertaling tsiis meer lijkt op het Engelse cheese (zie ook: filmpje op youtube). Het Fries wordt gesproken in de Nederlandse provincie Friesland (Fryslân in het Fries). In Friesland wonen ongeveer 650.000 mensen. Ongeveer 94% daarvan kan Fries verstaan en ruim de helft kan het ook spreken. Ook in delen van Duitsland worden varianten van het Fries gesproken: Noord-Fries (8 à 10.000 sprekers) en Oost-Fries (1000 à 1500 sprekers). In het buitenland wordt Fries daarom vaak West-Fries genoemd. In Nederland wordt met West-Fries echter het dialect bedoeld dat in de kop van Noord-Holland gesproken wordt. Wanneer er in dit artikel over het Fries wordt gesproken, wordt het Fries dat men in de Nederlandse provincie Friesland spreekt bedoeld. Binnen Friesland worden verschillende dialecten van het Fries gesproken. De belangrijkste zijn: het Kleifries, het Woudfries en het Zuidhoeks. Het Standaardfries is gebaseerd op het Kleifries. Bovendien wordt niet overal in Friesland Fries gesproken. In veel steden wordt bijvoorbeeld Stadfries gesproken, (een mengeling tussen Nederlands en Fries).
Het Fries is door de Nederlandse overheid erkend als tweede rijkstaal. Dit houdt bijvoorbeeld in dat je in de rechtbank Fries kunt gebruiken en dat het mogelijk is om eindexamen te doen in het Fries. Scholen in Friesland zijn verplicht om het vak Fries aan te bieden (maar in de praktijk is dat vaak niet meer dan een uur per week) en daarnaast mogen ze het Fries ook gebruiken als voertaal in de les. Ondanks dat het Fries een erkende taal is, is het Nederlands in Friesland de dominante taal. Iedereen die Fries spreekt, spreekt ook Nederlands en je kunt overal met Nederlands terecht, terwijl dat voor het Fries niet het geval is. Door de dominante positie van het Nederlands en door het gebrek aan onderwijs in het Fries is er veel invloed van de Nederlandse taal op de Friese gesproken taal. Het Nederlands beïnvloedt voornamelijk de woordkeuze (broekspijpen in plaats van broeksboksen), maar kan ook invloed hebben op uitspraak van klanken (bestuer in plaats van bestjoer), uitgangen van woorden (bekertsje in plaats van bekerke) of woordvolgorde (...dat er it dien hat in plaats van ...dat er it hat dien, vergelijkbaar met het Nederlandse “...dat hij het heeft gedaan”).
De invloed van het Nederlands op de Friese gesproken taal zorgt er ook voor dat het verschil tussen gesproken en geschreven taal steeds groter wordt. De geschreven vorm van het Fries is namelijk wel voornamelijk gebaseerd op het Standaardfries. Hierdoor kan het voorkomen dat mensen een Fries woord niet herkennen, aangezien ze in hun spreektaal de Nederlandse vorm van het woord gebruiken. Bovendien wordt het geschreven Fries relatief weinig gebruikt. Niet meer dan 5% van de artikelen in de provinciale dagbladen is bijvoorbeeld in het Fries.
Het Friese schriftsysteem maakt gebruik van het Latijnse alfabet. De letters c, q en x worden echter nooit gebruikt. Er zijn ook een aantal extra letters, of eigenlijk bestaande klinkertekens met een dakje of streepje erop: ú (klinkt als de [y] in ‘minuut’ of als de lange [y:] in ‘centrifuge’), â en ô (klinken als de lange [ɔ:] in ‘controle’), ê(klinkt als de lange [ɛ:] in ‘blèren’) en û (klinkt als de korte [u] in 'doek' of de lange [u:] in ‘rouge’). Als de klinkers zonder tekentje geschreven worden, klinken ze vergelijkbaar met het Nederlands. Als een lettergreep eindigt op een medeklinker wordt de korte [i] (zoals in ‘niet’) geschreven als y (dyk) en de lange [i:], zoals in ‘prestige’, als ii (wiid).
2. Specifieke informatie over het Fries
In deze paragraaf worden de onderwerpen uit paragraaf 0 uitgebreider besproken. In het onderdeel fonologie worden de klanken besproken, in het onderdeel morfologie het meervoud van zelfstandige naamwoorden, verkleinwoorden, lidwoorden en werkwoorden en in het onderdeel syntaxis de woordvolgorde. Tot slot wordt er ingegaan op pragmatiek.
Fonologie
-Korte klinkers: in het Fries kan de korte [ɔ] op twee manieren worden uitgesproken. De o’s in dom en in hok klinken niet hetzelfde. In het Nederlands was dat vroeger ook zo, maar dat verschil is nu niet meer te horen.
-Lange klinkers: de Nederlandse klinkers [i], [u] en [y] zijn eigenlijk korte klinkers. Het Fries kent van deze klinkers ook een lange variant. In het Nederlands komen die enkel in leenwoorden voor (zoals in ‘prestige’, ‘rouge’ en ‘centrifuge’). Ook de lange [ɛ:] (zoals in ‘blèren’) en de lange [ɔ:] (zoals in ‘controle’) komen in het Nederlands nauwelijks voor.
-Tweeklanken: tweeklanken zijn klanken die uit twee klinkers bestaan. Het Fries kent een groep tweeklanken die bestaan uit een klinker ([i], [y], [u], [e], [ø] of [o]) plus een stomme ‘e’ cq. de schwa [ǝ] (zoals de ‘e’ in ‘de’). Deze klanken bestaan vrijwel niet in het Nederlands, behalve in woorden die eindigen op een ‘r’ (zoals ‘bier’, waar je vaak een [i] + [ǝ] hoort, en ‘buur’, waarbij je soms [y] + [ǝ] hoort). Ook de klanken [oɪ] (boike, ‘jongetje’) en [aɪ] (laitsje, ‘lachen’) komen in het Nederlands bijna niet voor. Het Nederlandse ‘eeuw’ komt in het Fries weer niet voor, in het Fries wordt het ieu ([i] + [ǝ]).
-De slot-(e)n: als in het (geschreven) Nederlands een woord op ‘-en’ eindigt, wordt de ‘n’ meestal niet uitgesproken (‘lope’ in plaats van ‘lopen’). In het Fries wordt de ‘e’ juist weggelaten en de ‘n’ wordt iets verlengd. Hetzelfde gebeurt als een woord eindigt op ‘-em’, ‘-el’ en ‘-er’ (hammer wordt bijvoorbeeld uitgesproken als ‘hamr’). Dit proces is niet typisch Fries, het gebeurt in heel Noordoost-Nederland.
-Neusklanken: het Nederlands kent enkel nasale medeklinkers (’n’, ‘m’ en ‘ng’). Bij deze klanken stroomt de lucht door de neus in plaats van door de mond (als je je neus dichtknijpt kun je de klanken niet maken). Het Fries kent ook nasale klanken: een klinker voor een ‘f’, ‘w’, ‘s’, ‘z’, ‘r’, ‘l’ of ‘j’, wordt soms door de neus uitgesproken (in schrijftaal wordt dit geschreven als klinker + ‘n’ + medeklinker, maar in gesproken taal wordt de ‘n’ niet uitgesproken). Het kan voorkomen binnen woorden (aanst, dat ‘straks’ betekent) of tussen woorden (myn jas, dat ‘mijn jas’ betekent). Ook nasale klanken worden niet enkel in het Fries gebruikt. Er zijn een aantal dialecten van het Nederlands waar ze ook gebruikt worden.
Morfologie
-Meervoud van zelfstandige naamwoorden:
In het Fries wordt het meervoud gevormd door, net als in het Nederlands, ‘s’ of ‘-en’ achter het enkelvoud te zetten. Het meervoud van leffert (‘lafaard’) is bijvoorbeeld lefferts (‘lafaards’) en het meervoud van tún (‘tuin’) is tunen (‘tuinen’). Wanneer welke vorm gebruikt wordt is vergelijkbaar met het Nederlands.
Wat wel anders is, is dat in het meervoud soms breking of verkorting optreedt. De tweeklanken die eindigen op een schwa (zie ‘Fonologie’) veranderen in het meervoud soms van vorm. Neem stien - stiennen (‘steen - stenen’): de [i] (plus [ǝ]) verandert in [ji]: [stiǝn] - [stjinǝn]. Dit proces wordt breking genoemd Ook kan verkorting plaatsvinden. Dit betekent dat in het enkelvoud een lange klinker gebruikt wordt, maar in het meervoud een korte (hân – hannen, ‘hand – handen’).
-Verkleinwoorden:
Verkleinwoorden worden gevormd door ‘-ke’, ‘-tsje’ of ‘-je’ achter het zelfstandig naamwoord te zetten:
- Zelfstandige naamwoorden die eindigen op een klinker of op ‘m’, ‘p’, ‘be’, ‘f’, ‘ve’, ‘s’, ‘ze’, ‘r’ of ‘w’ krijgen ‘-ke’ (bijvoorbeeld stof – stofke).
- Zelfstandige naamwoorden die eindigen op ‘l’, ‘n’, ‘t’ of ‘d’ krijgen ‘-tsje’ (bijvoorbeeld pael – paeltsje).
- Woorden die eindigen op ‘k’, ‘ng’, ‘ch’ of ‘ge’ krijgen ‘-je’.
Ook bij verkleinwoorden kan breking of verkorting plaatsvinden.
-Lidwoorden: sommige zelfstandig naamwoorden krijgen het lidwoord de, andere krijgen it, vergelijkbaar met het Nederlandse ‘de’ en ‘het’. Er zijn een aantal woorden waar in het Nederlands ‘de’ wordt gebruikt en in het Fries it (zoals it boadskip, ‘de boodschap’) of andersom (zoals de hikke, ‘het hek’).
-Werkwoordvervoegingen: in het Nederlands eindigt het hele werkwoord (het infinitief) bijna altijd op ‘-en’. In het Fries zijn er daarentegen twee mogelijkheden: ‘-je’ (bijvoorbeeld wurkje, ‘werken’) of ‘-e’ (bijvoorbeeld pakke, ‘pakken’ of telle, ‘tellen’). De stam krijg je door ‘-e’ of ‘-je’ van het infinitief af te halen (wurk, pak, tel).
De vervoeging van ‘-e’-werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd gaat bijna hetzelfde als in het Nederlands. Hieronder zie je een voorbeeld van de werkwoorden pakke en telle:
Er zijn een aantal verschillen:
- In de tweede persoon enkelvoud (do/’jij’) wordt in de tegenwoordige tijd stam + –st gebruikt (in plaats van het Nederlandse ‘-t’) en in de verleden tijd stam + -test of stam + -dest (in plaats van het Nederlandse ‘-te’ of ‘-de’).
- Het voltooid deelwoord krijgt geen ‘-ge’ (zoals het Nederlandse ‘gepakt’ en ‘geteld’). Of in de verleden tijd en in het voltooid deelwoord ‘t’ of ‘d’ gebruikt moet worden, valt overigens op dezelfde manier te bepalen als in het Nederlands.
- Het woord do (‘jij’) wordt niet altijd uitgesproken of gaat soms samen met het werkwoord. Dit gebeurt meestal in zinnen waar het werkwoord voor de persoonsvorm komt, bijvoorbeeld vraagzinnen (bijvoorbeeld in de zin heinst do de bal?, ‘vang jij de bal?’, wordt heinsto, heinste of heinst gebruikt). In gewone zinnen kan do ook weggelaten worden (soest ek mei in plaats van do soest ek mei, ‘jij zou ook mee(gaan)’).
- Voor de formele vorm (jo, ‘u’) wordt de meervoudsvorm van het werkwoord gebruikt wordt, terwijl in het Nederlands de tweede persoon enkelvoud gebruikt wordt (jo pakke, ‘u pakt’).
Werkwoorden eindigend op –je zijn minder vergelijkbaar met het Nederlands. Hieronder staat weer een voorbeeld, ditmaal met de werkwoorden wurkje (‘werken’) en wenje (wonen):
Natuurlijk kent het Fries ook onregelmatige werkwoorden. Vaak worden die gevormd door klinkerwisseling (zoals in het Nederlandse ‘ik loop’, ‘ik liep’). Een aantal werkwoorden zijn in het Fries regelmatig en in het Nederlands niet (bijvoorbeeld stige, ‘stijgen’) of andersom (bijvoorbeeld minge, ‘mengen’).
Syntaxis
-Woordvolgorde
De woordvolgorde in het Fries komt voor het grootste deel overeen met de woordvolgorde in het Nederlands. Neem de zinnen Martsje kaepet dat boek en ‘Martsje koopt dat boek’. In beide zinnen staat het werkwoord op de tweede plaats. Dit is de persoonsvorm. Aan het begin van de zin is maar plaats voor één werkwoord, dus eventuele extra werkwoorden krijgen, net als in het Nederlands, een plaats achterin de zin: hy hat har rinnen sjoen, ‘hij heeft haar zien lopen’. Het verschil is dat in het Fries de werkwoorden achteraan (rinnen sjoen) precies andersom staan dan die in het Nederlands (‘zien lopen’).
In bijzinnen staan alle werkwoorden, dus ook de persoonsvorm, achteraan de zin. Ook dit geldt voor zowel het Fries als het Nederlands. Het verschil is dat in het Fries de persoonsvorm altijd helemaal achteraan staat, terwijl het in het Nederlands (meestal) vooraan de groep van werkwoorden staat. Vergelijk bijvoorbeeld: ... dat ik him komme litte wolle soe met ‘... dat ik hem zou willen laten komen’.
De werkwoorden ‘hebben’ en ‘zijn’ gaan samen met een voltooid deelwoord (‘ik heb hem gehoord’). In het Fries gebeurt dit op dezelfde manier (ik haw him heard). Als er nóg een werkwoord in de zin staat, wordt in het Nederlands niet het voltooid deelwoord, maar het infinitief gebruikt (‘ik heb hem horen zingen’). In het Fries wordt in dat geval meestal wel nog steeds het voltooid deelwoord gebruikt (ik haw him sjongen heard).
-Voorzetsels: een voorzetsel met nog één of meerdere woorden erachter wordt een ‘voorzetselgroep’ genoemd. Voorzetselgroepen komen zowel in het Nederlands als in het Fries voor. Neem bijvoorbeeld de zinnen ik hâld net fan praten en ‘ik houd niet van praten’. De voorzetselgroepen zijn fan praten en ‘van praten’. In het Fries is het mogelijk om het woord achter het voorzetsel (praten) helmaal vooraan de zin te zetten. Het voorzetsel (fan) blijft dan alleen achter achteraan de zin: praten hâld ik net fan. Hierdoor krijgt het woord praten meer nadruk. In het Nederlands is deze constructie niet mogelijk.
Pragmatiek
Het feit dat het Nederlands de dominante taal is, zorgt ervoor dat als iemand een onbekende aanspreekt, dat dit meestal in het Nederlands gebeurt. Als in een groep blijkt dat één persoon niet goed Fries verstaat, gaat de hele groep vaak over op het Nederlands. Als iedereen wel goed Fries verstaat, worden er soms ook twee talen door elkaar gesproken: de één spreekt Fries, de ander Nederlands.
3. Verwervingsvolgorde van bovengenoemde domeinen
Er is nog relatief weinig onderzoek gedaan naar de taalontwikkeling van Friese kinderen. Jelske Dijkstra heeft echter in 2008 de F-TARSP ontwikkeld. De F-TARSP is een Friese bewerking van de Nederlandse TARSP (Taal Analyse Remediëring en Screening Procedure (Schlichting, 2005)). De F-TARSP is een taalinstrument dat gebruikt kan worden om het grammaticale ontwikkelingsniveau van een Friestalig kind te bepalen. Het is bedoeld voor kinderen tot ongeveer 4 jaar en drie maanden. Om het instrument te kunnen ontwikkelen, zijn spontane taaluitingen van 100 Friestalige kinderen bestudeerd. Het gaat om kinderen tussen 1 jaar en negen maanden en 4 jaar en twee maanden oud bij wie thuis overwegend Fries wordt gesproken. Van alle kinderen, die voor zover bekend een normale taalontwikkeling hebben, zijn 200 Friese taaluitingen bestudeerd.
In het onderzoek is bekeken in welke volgorde de kinderen bepaalde grammaticale constructies verwerven. Ook is er bekeken vanaf welke leeftijd een bepaalde constructie gemiddeld gebruikt wordt. Dit onderzoek heeft dus bijgedragen aan meer duidelijkheid over hoe de normale taalontwikkeling van Friessprekende kinderen verloopt. Uit het onderzoek blijkt dat er veel overeenkomsten zijn tussen het Fries en het Nederlands. Toch zijn er aan aantal verschillen (voorbeelden komen uit onderzoek van Dijkstra, 2008):
-Morfologische verschillen:
- In het onderdeel ‘morfologie’ hierboven werd al besproken dat de vorm do (‘jij’) weggelaten kan worden. Uit dit onderzoek blijkt dat dit door de kinderen ook regelmatig gedaan wordt, waardoor deze vorm veel minder gebruikt wordt dan in het Nederlands.
- Ook de vorm dy (als in ik bin sa wer by dy, ‘ik ben zo weer bij je’) werd door de kinderen erg weinig gebruikt. In plaats daarvan werden de vormen my (‘mij/me’) en him (‘hem’) en soms ús (‘ons’) of har (‘haar’) gebruikt.
- De vorm sy of se kan zowel naar het enkelvoud (se kin noch net lêze, ‘ze kan nog niet lezen’) als naar het meervoud verwijzen (bijvoorbeeld se skrikke noait wekker, ‘ze schrikken nooit wakker’). De meervoudsvorm wordt, in vergelijking met het Nederlands, pas relatief laat gebruikt.
- Een constructie die niet in het Nederlands voorkomt en wel in het Fries is de werkwoordsvervoeging van de tweede persoon enkelvoud (stam+(e)st) die ook hierboven is besproken in het onderdeel ‘fonologie’.
-Syntactische verschillen:
- De combinatie ‘bijvoeglijk woord’ + ‘zelfstandig naamwoord’ (bijvoorbeeld allegear skûm, ‘allemaal schuim’) wordt door kinderen in het Fries pas later gebruikt dan in het Nederlands.
- Ook de combinatie dit of dat + ‘zelfstandig naamwoord’ (bijvoorbeeld dit boekje, ‘dit boekje’) wordt door Friessprekende kinderen relatief laat voor het eerst gebruikt.
- Het voltooid deelwoord wordt relatief laat gebruikt. Wat wel hetzelfde is als in het Nederlands, is dat het voltooid deelwoord (bijvoorbeeld ikke goed dien, ‘ik goed gedaan’) een fase eerder verschijnt dan de combinatie hulpwerkwoord + voltooid deelwoord (zoals mem hat him al pakt, ‘mama heeft hem al gepakt’).
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Fries
De F-TARSP, die hierboven is besproken, geeft niet alleen een inzicht in de taalontwikkeling van normaal ontwikkelende Friese kinderen, hij kan ook gebruikt worden om kinderen met een (eventuele) taalontwikkelingsstoornis te testen. Naar aanleiding van het onderzoek van Dijkstra (2008) zijn de verschillende grammaticale constructies ingedeeld in zeven fases. Er is een profielkaart ontwikkeld waarop de grammaticale constructies per fase vermeld staan (zie: profielkaart van de Fryske Akademy). Als er een vermoeden is dat een bepaald kind een taalontwikkelingsstoornis heeft, kunnen taaluitingen van dit kind vergeleken worden met de informatie op de profielkaart. Voor alle constructies kan geteld worden hoe vaak het kind ze gebruikt. Zo kan vastgesteld worden in welke grammaticale fase het kind zich bevindt. Vervolgens kan dit vergeleken worden met normaal ontwikkelende kinderen van dezelfde leeftijd (door middel van een indicatietabel, zie bijlage 4 in Dijkstra, 2008) en op die manier kan bepaald worden of er inderdaad sprake is van een vertraagde taalontwikkeling. Ook kan met de profielkaart gekeken worden of er gaten zitten in de ontwikkeling van het kind. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat het kind constructies gebruikt uit fase 4 en 5, maar nog niet alle constructies uit fase 3. De verkregen informatie kan gebruikt worden om een gericht behandelplan op te stellen voor het kind. Eventueel kan de test later nogmaals afgenomen worden, om te kijken of er inmiddels al verbetering is opgetreden.
De F-TARSP is minder geschikt voor kinderen die nog in de éénwoordfase zitten. In dat geval kan beter de Lexiconlijst Fries-Nederlands gebruikt worden (ontwikkeld door Lutje Spelberg & Schlichting). De Lexiconlijst Fries-Nederlands is gebaseerd op de Lexilijst Nederlands (Schlichting & Lutje Spelberg, 2002). Op de lijst staan verschillende woorden (en korte zinnetjes) verdeeld over 15 categoriën (zoals kleding, eten en voertuigen). Op de Fries-Nederlandse Lexiconlijst staan zowel Nederlandse als Friese woorden vermeld. Het is de bedoeling dat ouders aankruisen welke woorden hun kind gebruikt. Aan de hand van deze informatie kan bepaald worden of het kind een vertraagde taalontwikkeling heeft in vergelijking met normaal ontwikkelende kinderen. (zie voor meer informatie: lexilijst van Studio Taalwetenschap).
Behalve dat de F-TARSP en de Lexiconlijst gebruikt kunnen worden om individuele kinderen te testen en te behandelen, zouden ze ook gebruikt kunnen worden om wetenschappelijk onderzoek te doen naar taalstoornissen in het Fries. Dat zou interessant zijn, want tot nu toe is daar nog nauwelijks iets over bekend. Het zou interessant zijn om te kijken op welke onderdelen van het Fries kinderen met een taalontwikkelingsstoornis problemen hebben en ook om te kijken wat de overeenkomsten en verschillen met het Nederlands zijn. Hopelijk kan deze Wiki in de toekomst op dit punt verder aangevuld worden.
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
In dit artikel is besproken op welke punten het Fries en de Friese taalontwikkeling verschilt van het Nederlands. Ook is er besproken tot wat voor soort taalfouten dat zou kunnen leiden in het Nederlands van Friese kinderen. Verder is er ingegaan op twee taalinstrumenten: de F-TARSP en de Lexiconlijst Fries-Nederlands. Deze testen kunnen gebruikt worden om te kijken of Friessprekende kinderen een vertraagde of verstoorde taalontwikkeling hebben, zodat ze gericht behandeld kunnen worden. Ook zouden de taalinstrumenten gebruikt kunnen worden om wetenschappelijk onderzoek te doen naar taalstoornissen bij Friese kinderen.
De informatie op deze pagina komt grotendeels uit de boeken Grammatica Fries (2006) en Basisgrammatica Fries (2006), beiden geschreven door Jan Popkema. Voor meer informatie is het aan te raden deze boeken te raadplegen.
Verder is in dit artikel gebruikt gemaakt van de volgende boeken:
- Dijkstra, J.E. (2008), F-TARSP. Friese Taal Analyse Remediëring en Screening Procedure. Een Friese bewerking van de TARSP. Leeuwarden: Fryske Akademy - Afûk
- Popkema, J. (2006). Grammatica Fries. De regels van het Fries. Utrecht: Prisma woordenboeken en Taaluitgaven.
- Popkema, J. (2006). Basisgrammatica Fries. Begrijpelijk voor iedereen. Utrecht: Prisma woordenboeken en Taaluitgaven.
- Spoelstra, J., Post, J. & Hut, A. (2007). Prisma woordenboek Fries: Fries-Nederlands, Nederlands-Fries. Utrecht: Het Spectrum.
Naast deze literatuur is er ook veel informatie te vinden over het Fries op het internet:
Wetenschappelijk onderzoek:
- De Fryske Akademy, een instituut dat wetenschappelijk onderzoek doet op het gebied van de Friese taal, cultuur, geschiedenis en samenleving.
- http://www.fryske-akademy.nl/
- Informatie over de Lexiconlijst Nederlands-Fries.- http://www.studiotaalwetenschap.nl/lexi_home.htm
- Het Mercator Europees Kenniscentrum voor Meertaligheid en Taalleren, onderdeel van de Fryske Akademy.School en opvoeding:
- Heit en Mem: een website voor ouders met informatie in het Fries over opvoeding en ontwikkeling van kinderen.
- http://www.heitenmem.nl/
- Taalsintrum Frysk: helpt scholen met het ontwikkelen, implementeren en uitvoeren van meertalig taalbeleid met een gelijkwaardige positie van de Friese taal.- http://www.taalsintrum.nl/
- Tomke: een leesbevorderingsproject voor peuters in Friesland.Algemene informatie over de Friese taal
- De website van de organistie Afûk: “De Afûk wol it Frysk tichtby de minsken bringe.”
- http://www.afuk.nl
- De website van eduFrysk, waar je gratis online Fries kunt leren.- http://www.edufrysk.com/
- Taalportaal: een website met informatie over Friese en Nederlandse grammatica.